Historie 



De VIZL kent een rijke historie en illustere leden

die hun sporen verdienden in de limburgse geschiedenis. 


De maatschappelijke situatie van 100 jaar geleden maakt het alleszins begrijpelijk dat er omstreeks 1915 - 1916 behoefte bestond aan het creëren van een extra band tussen de in Zuid-Limburg wonende en werkende ingenieurs naast de professionele band. Van oudsher leefde men hier relatief geïsoleerd van de rest van Nederland. Dit isolement is onder andere te verklaren uit de geografische ligging van de streek, die bijvoorbeeld betere verbindingen had met België en Duitsland dan met de rest van Nederland.


Immers, reeds in 1853 kwam een treinverbinding tussen Maastricht en Aken tot stand. In 1856 werd het traject Maastricht - Hasselt opengesteld, gevolgd door de aanleg van de lijn Maastricht - Eijsden in 1861, waardoor een verbinding met Luik ontstond.

Ook ontstond in 1896 een verbinding tussen Maastricht en Herzogenrath. Weliswaar kwamen ook in noordelijke richting spoorbanen tot stand - Maastricht-Venlo in 1866 - die het vanaf 1870 mogelijk maakten het centrum en westen van het land via de rails te bereiken. Echter, een dergelijke onderneming vergde dan wel het grootste deel van de dag. De reistijd tussen Maastricht en Amsterdam, toen nog via Venlo, bedroeg 4 uur en 35 minuten. Er reden dagelijks 4 treinen. Nu is dit 2.30 uur en rijden er 35 rechtstreekse intercitytreinen en meer dan 60 als je die met overstapstops meeneemt. Na 1912 werd het reizen per trein vanuit het zuiden naar grote Hollandse steden enigszins bekort door de aanleg van de verbinding Roermond-WeertEindhoven, maar het nabije buitenland bleef toch beter en sneller bereikbaar. Als gevolg van deze situatie was de bevolking sterker georiënteerd op steden als Luik en Aken dan op de rest van Nederland. Het is wrang om te moeten constateren dat de situatie nu precies omgekeerd is. Ondanks in het ‘Europa zonder grenzen’ en de roep om meer Euregionale samenwerking in onze regio zijn de treinverbindingen vanuit Zuid-Limburg met het nabijgelegen Aken en Luik bedroevend, om maar te zwijgen over die met Genk. Het is niet verwonderlijk dat rond 1900 een deel van de in Zuid-Limburg opgroeiende aanstaande ingenieurs de voorkeur gaf aan een studie aan de Technische Hogescholen in bovengenoemde steden en Leuven boven de ingenieurs-opleidingen in Delft.


In de periode rond de oprichting van de Vereniging begon zich bovendien op talrijke gebieden aanzienlijke technische vooruitgang af te tekenen. Hierbij moet gedacht worden aan elektrificatie, telefonie, luchtvaart, weg- en waterbouwkundige werken en niet te vergeten de voor Zuid-Limburg zo belangrijke kolenmijnbouw, die snel tot ontwikkeling kwam. Het toenemend autoverkeer maakte grotere mobiliteit mogelijk. De vorderingen op technisch vlak hadden tot gevolg dat het aantal in Zuid Limburg werkzame ingenieurs sterk toenam. Voor een groot deel waren zij afkomstig van buiten de provincie. Ze hadden in dit gewest weinig of geen familiebanden. Deze ‘import’ maakte echter wel gebruik van culturele mogelijkheden in het naburige buitenland. Toen in  1914, door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de landsgrenzen werden gesloten en de traditionele contacten wegvielen, voelde deze groep van ingenieurs het isolement ongetwijfeld extra sterk.

Langzamerhand moet ook het besef zijn ontstaan dat het oorlogsgeweld en daarmede het isolement voorlopig nog zou voortduren:  1916 was het jaar van de grote veldslagen bij Verdun en aan de Somme en van nieuwe oorlogsverklaringen tussen

Italië - Duitsland, Duitsland - Roemenië en Roemenië - Bulgarije. Het was in die periode van verstoorde culturele contacten, toenemend isolement, oorlogsdreiging, maar ook van technische vooruitgang dat het idee rijpte een regionale ingenieursvereniging op te richten.


Van meet af aan heeft de Vereniging er dan ook naar gestreefd om technische, culturele en sociale elementen in een zinvol verband te combineren. Hiertoe werden onder andere tal van voordrachten en excursies georganiseerd met onderwerpen zoals

de moderne steenkoolwinning en de Maaskanalisatie. De algemene kennis van de leden werd ook vergroot doordat in de Vereniging voordachten werden gehouden over moderne stedenbouw, ontwikkelingen in de luchtvaart, organisatiebedrijfskunde

en eisen in het onderwijs ‘aan den modernen tijd’. En dat laatste was geen overbodige luxe want m.n. in die tijd ontstond er - evenals vandaag – ook behoefte aan lager en middelbaar geschoold technisch kader. De verwevenheid tussen leden van de Vereniging en het regionale onderwijs waarop nog zal worden teruggekomen, leidde er ondermeer toe dat zij technische scholen in de regio opgerichtten en daaraan les gaven of in de besturen en directies daarvan zaten.

De M.T.S. in Heerlen is hiervan een sprekend voorbeeld. Die instelling is geleidelijk uitgegroeid tot de veelzijdige Zuyd Hogeschool waar beroepsgericht onderwijs wordt gegeven op hoog niveau in interactie met universitaire instellingen in de Euregio en

daar buiten.

Enkele illustere heren van het eerste uur. Onder andere de heren König, de eerste voorzitter, de heer Regout, penningmeester en welbekende industieel uit Maasticht en de heer Itterson (commissaris) van de staatsmijnen in Heerlen. Verder maken de heren Rood (secretaris), Dinger (commissaris) en de heer Bellaar Spruyt (commissaris) deel uit van het eerste voltallige bestuur.

DEEL 1

Oprichting en eerste decennium

(1916-1927)

Het hoofdstuk over het begin van de Vereniging kan het best begonnen worden met de unieke vaststelling dat de Vereniging van Ingenieurs in Zuid-Limburg en de 15 jaar eerder opgerichte Vereniging van Ingenieurs in Overijssel de enige twee regionale Nederlandse ingenieursverenigingen zijn die in Nederland zijn ontstaan en tot op heden zijn blijven bestaan.


De aanleiding voor en het tijdstip van de oprichting van elk van deze verenigingen zijn heel anders. Wel liggen beiden, met name Zuid-Limburg, in de periferie van Nederland. In gebieden, met geheel verschillende

kenmerken en geschiedenissen. Maar waar wel relatief veel ingenieurs werkzaam

waren die om onderscheidende redenen behoefte hadden aan onderling contact.

Is er een kenschetsing te geven van de leden van het eerste uur: wie waren zij, waar

en aan welke faculteit hadden zij gestudeerd en waar werkten zij?

Het was bij de totstandkoming van de uitgave van het jubileumboek in 1991 helaas

slechts beperkt mogelijk iets over de kenmerken van de eerste leden te achterhalen, de gegevens waren summier.

Aan de hand van de presentielijsten van de eerste tien vergaderingen kon een globale

ledenlijst worden samengesteld. Van ca 75% van de leden blijkt nog iets bekend te zijn:

ca 40% werkte bij de mijnen, ca 15% in de ceramiek en ca 20% bij Rijkswaterstaat en

Provinciale Waterstaat. Vooral in de eerste vergaderingen waren verhoudingsgewijs veel ‘buitenlanders’ aanwezig, ca 35% (studie in Aken, Luik, Hannover, Bingen etc.).

Wat betreft de studierichting was de verdeling ongeveer als volgt: 33% civiel,

30% werktuigkunde, 14% elektrotechniek, 12% mijnbouwkunde en 8% scheikunde.

Deze getallen lijken in het licht van de in het vorige hoofdstuk beschreven situatie in

Zuid-Limburg aannemelijk, zodat bij de oprichting van de Vereniging de leden redelijk representatief waren voor het Limburgse ingenieursbestand.

In deze vaststelling, die dateert uit de periode van de totstandkoming van het boek

75 jaar VIZL, is geen verandering gekomen nadat nieuwe bronnen die ondermeer in

de afgelopen 10 jaar via internet beschikbaar kwamen, geraadpleegd zijn. Wordt vervolgd.